Verrukkelijke combinaties van woorden

Quora. Een interessante website met een interessante missie:

“Quora’s wants to share and grow the world’s knowledge. Ask any question, get real answers from people with first hand experience, and blog about what you know.”

De laatste jaren zijn er soortgelijke diensten, met soortgelijke intenties, gekomen en gegaan. Goeie Vraag of Yahoo Answers (voor werkelijk ál uw vragen) en Stackoverflow (voor programmeurs van ieder soort) zijn daarbij de blijvertjes gebleken. Verreweg de meeste mensen nemen daar dan ook de échte moeite om (legitieme) vragen, van wie dan ook, te eren met een zo goed mogelijk antwoord. Een soort Wikipedia’s, maar dan puur op basis van vraag en antwoord.

De diversiteit en voornamelijk de behulpzaamheid, is wat mij aanspreekt bij dergelijke online kennisdeling. En bij Quora gaat het zelfs nog een stukje verder, omdat daar aanvullende ruimte is voor (heel) persoonlijke invalshoeken. De wekelijkse nieuwsbrief activeert en prikkelt mij daarbij genoeg om regelmatig eens even een kijkje te nemen. Zo ook toen ik de volgende mij-aan-het-denken-zettende-Quora-vraag voor ogen kreeg: “What is the most delightful combination of words you have ever heard, seen or thought?”.

Nieuwsgierig klikte op de vraag, keek ik alle antwoorden door en kon ik concluderen dat één van de eersten mij verreweg het meest aansprak:

“I fell in love the way you fall asleep: slowly, then all at once.”
— John Green, ‘The fault in our stars

Prachtig. Maar tijdens het lezen van al die soms meer, soms minder geslaagde zinnen, drong zich tegelijkertijd de vraag aan me op of ik zelf ook dat soort taaltechnisch-bekorende uitspraken uit mijn hoge quote-hoed zou weten te toveren. In eerste instantie leek mijn hoofd wel een dorre taalvlakte, maar na een tijdje kniezen kwam er toch iets omhoog borrelen:

“De één zijn dood is de ander zijn brood.”

Een zeer mooi gezegde, in al zijn platheid en brute waarheid.

“Vroeger was ik een twijfelaar, ik ben daar nu niet meer zo zeker van.”

Een losse zin Van Herman Finkers die me ergens altijd bijgebleven is.

“Binnenverdrietje: een soort binnenpretje, maar dan verdrietig.”
— Spekkie Big / Marc van der Holst

Een wel heel schattige gedachte en quote die me plots te binnen schoot, uit een tijd en grijs verleden toen ik nog louter via Twitter mijn ideeën en gedachtes met de wereld deelde.

Door mezelf aangemoedigd, maakte ik na deze herinneringsoefening de sprong naar Google en ging ik lukraak op zoek naar mooie, Nederlandse volzinnen. Ik kwam daarbij de Tzum-prijs tegen, een Nederlandse prijs voor de mooiste literaire zin (uit een boek).

Eén van de nominaties voor 2014 deed mij letterlijk huiveren van taalafschuw:

“Ik volg de cadans van mijn handschrift en zoek naar de in letters gestolde, kwezelachtige wellust van het meisje dat ik ooit geweest moet zijn, het wicht dat op de drempel van haar adolescentie haar schriftuur even strak aantrok als de dunne lederen veters waarmee ze haar laarsjes dichtreeg – hoe ze het vlees van het woord in de baleinen van de zinsbouw dwong, tot haar eigen lijf vol striemen stond en ze naar uitbraak verlangde.”

Wantaal, pure wantaal.

Afgeschrikt en beduusd doemde er ineens een tekstpassage – een verrukkelijke combinatie van woorden – in mijn hoofd op die wat mij betreft wél prijswinnend mag heten. Een stukje Engelse tekst, direct uit één van de alleroudste sprookjeswerken.

Een paar jaar geleden luisterde ik regelmatig naar het album “Parthenon”, van de band PLVS VLTRA. Het toentertijd nieuwe pop-indie-dance-rock-project van ex-Enon, ex-Blonde Redhead en “veteran musician” Toko Yasuda (ja, ja). In het titelnummer ‘Parthenon’ is aan het einde een ‘sample’ van een voorgelezen sprookje of hoorspel opgenomen. Het blijkt hierbij, zo weet ik nu, om één van ‘Aesop’s Fables’ te gaan, genaamd ‘The North Wind and the Sun’.

Het geluidsfragment laat slechts een deel van de fabel de revue passeren, maar in samenspraak met een zeer gepaste commentaarstem, levert het in ieder geval een in eenvoud, en naar mijn smaak, sublieme verzameling woorden op:

People had to chase after their hats. Leaves were blowing from the trees. All the animals were freightened. The ships in the harbour were sunk.

The North Wind blew with all his might, but is was no use. The horseman just pulled his cloak more tightly around him.

“My turn now,” cried the Sun. And as he gave out his gentle heat, insects hummed and flowers opened. The birds began to sing. The animals laid down to sleep, and the people came out to gossip.

The horseman began to feel very hot, and when he came to a river, he took off his clothes and went in for a swim.

So the Sun was able to achieve by warmth and gentleness, what the North Wind in all his strength and fury could not do.

Beluister het nummer hieronder (vanaf 3 minuten en 38 seconden begint ongeveer de vertelling).

Oh ja, en de originele vertelling wil ik je uiteraard ook niet onthouden.

“I’ve come up with a set of rules that describe our reactions to technologies: 1. Anything that is in the world when you’re born is normal and ordinary and is just a natural part of the way the world works. 2. Anything that’s invented between when you’re fifteen and thirty-five is new and exciting and revolutionary and you can probably get a career in it. 3. Anything invented after you’re thirty-five is against the natural order of things.”
— Douglas Adams

charlie-brown-hebdo-charles-schultz

Een vrije meningsuiting: je suis Charlie… Brown.

Wat is vrijheid van meningsuiting? Aangewakkerd door alle Charlie Hebdo-commotie, spookt dat vraagstuk al geruime tijd door mijn hersenpan. Uit onderzoek blijkt dat het één van de meest bekende mensenrechten is. Niet zo verrassend. Maar wat het eigenlijk is of behelst, daar zijn de meesten wat minder bekend mee.

Binnen een Nederlandse context luidt de begrenzing van die vrijheid als volgt:

“Het Nederlandse strafrecht richt zich tegen smalend [minachtend] taalgebruik en aanzetten tot haat, belediging van gezagsdragers en het verspreiden van leugens (laster en smaad), maar minder of niet tegen obsceniteit of schendingen van goede smaak.”
– Wikipedia

Kortom: de realiteit, betekenis, uitleg en interpretatie van vrijheid van meningsuiting blijkt één levensgroot, schimmig en subjectief schemergebied. Helemaal internationaal gezien.

Volgens het Nederlandse strafrecht is het doodschieten van mensen in ieder geval pertinent niet oké. Daar kunnen – in de regel  en gelukkig – geen misverstanden over ontstaan. De combinatie van moord en het doelbewust naar de andere wereld helpen van brave brugers die zich kwijten aan het uiten van hun vrijheid van meningsuiting, veroorzaakte in het geval van Charlie Hebdo echter een redelijk buitensporige ophef en verontwaardiging.

De woorden redelijk en buitensporig gebruik ik daarbij zeker niet lukraak. Gewoonlijk hebben collectieve rouw en collectieve hysterie een negatieve uitwerking op mijn zenuwen. Maar de willekeurigheid van deze effecten, veroorzaken bij mij een hele reeks vraagtekens én de onbedwingbare neiging om dat soort persoonlijke woorden te gebruiken. Want: waarom maakt(e) iedereen zich ineens híer zo collectief druk over?

Twee terroristen schieten 12 cartoonisten neer en heel de wereld is in rep en roer. 43.000 mensen vinden de dood bij een aardbeving en er wordt verhoudingsgewijs weinig aandacht aan besteed. De aanslag, de achtervolging, de spanning, het afkeuren, de afschuw, de beelden, het “oh, dit komt ineens toch wel héél dichtbij”; de collectiviteit roert zich lustig. Het natuurgeweld, de ver-van-mijn-bed-show, de langdurige na-effecten en langzaam oplopende dodenaantallen; de collectiviteit houdt zich koest.

Eind 2004: dé tsunami-ramp, 230.000 doden. Opbrengst: ruim 2,5 miljoen Nederlandse euro’s. Eind 2005: een aardbeving in Pakistan, 75.000 doden. Opbrengst: een ‘karige’ 500.000 Nederlandse euro’s. Een mooi woord ontsproot indertijd aan dit al dan niet opmerkelijke donatieverschil: rampendiscriminatie. Het effect dat de aandacht in en interesse voor een ramp direct afhankelijk is van factoren als:

  • Is het gebeurd in een bekend (vakantie)land?
  • Zijn er Nederlanders bij betrokken?
  • Worden er veel beelden op tv uitgezonden?
  • En: zijn er beelden van de ramp zelf (niet alleen van de gevolgen)? Of amateurfilmbeelden zodat men zich goed kan identificeren met de slachtoffers?
  • Is er al eens iets soortgelijks voorgekomen?

Mijn gedachte en gevoelens: Charlie Hebo was en is hét kortstondige combinatievoorbeeld van collectieve rouw / hysterie en dergelijke rampendiscriminatie. Terwijl ik de mensen om mij heen observeerde, langzaam en gedeeltelijk of geheel deel wordend van het wij-effect, kon ik in ieder geval alleen maar aan ‘pesten’ denken.

Vrijheid van meningsuiting, “schending van de goede smaak”, terrorisme, Charlie Hebo, Frankrijk. Versus: Amerika, pesten (een vorm van meningsuiting en een gegeven dat op één of andere manier altijd wel verbonden is aan…), jaarlijks zestien schoolmoorden in de VS. In 2012 vond de laatste ‘grote’ schietpartij plaats (een 20-jarige jongen schoot 20 kinderen, 6 medewerkers en zichzelf dood). Maar sindsdien hebben zich minstens 74 andere schietincidenten voorgedaan, waar we in Nederland nauwelijks nog ons hoofd voor omdraaien. Het weer krijgt zonder twijfel meer aandacht in de media, want, tja, dat is waar we zelf dagelijks mee te maken hebben.

Je suis Charlie… Brown

Het blijft natuurlijk een beetje guaves met passievruchten vergelijken, en slechts mijn individuele, gevrijwaarde meningsuiting, de in dit stuk verkondigde zienswijze aangaande de nogal onthechte, willekeurige empatische vermogens die de mens rijk is. Maar het meteorologische besef dat vastkleeft aan de onvermijdelijke (psychologisch verwarde) aard van de mens, deden mij – in volledige samenwerking met het eerder genoemde spook in mijn bovenkamer – ineens aan een bijna vergeten uitspraak van tekenfilmfiguur Charlie Brown denken:

“That’s the secret to life… replace one worry with another….”

En dat is, zoals men dat zegt, het.

Het verschil tussen een kever en een tor, en een beestje.

Momenteel ben ik bezig met het op- en samenstellen van mijn korteverhalendebut ‘G.C. Grim’s Beestenbundeltje’. De thematiek van dit boek draait volledig om (de vermenselijking van) dieren en zorgt er geregeld voor dat ik tijdens het schrijven tegen interessante feitjes of onjuiste aannames aanloop…


Je zou zeggen dat er aardig wat verschil tussen een kever en een tor moet bestaan. De één heet immers kever (zoals dit het geval is bij meikevers en mestkevers) en de ander wordt ook wel tor genoemd (zoals watertorren of boktorren). Niets is echter minder waar. Sterker nog: er is zowaar geen enkel verschil. ‘Kever’ en ‘tor’ zijn benamingen voor precies dezelfde insectensoort – kevers – die uitsluitend door historische taalinvloeden van elkaar afwijken.

De toevoegingen ‘-tor’ of ‘-kever’ zijn wat dat betreft net zo arbitrair als de typeringen lieveheersbeestje, vliegend hert of glimworm: het gaat hier puur om kevertitels met een veelal onduidelijke etymologische ontstaansgeschiedenis. De achtervoegsels zelf (‘-tor’, ‘-kever’, ‘-beestje’) hebben eigenlijk geen weerslag op karakteristieke verschillen. Alleen in het geval van ‘-hert’ en ‘-worm’ kunnen we zeggen dat de naamgeving duidelijk gebaseerd is op een letterlijke, fysieke eigenschap.

Om tot deze conclusie te komen, kon ik mij overigens slechts baseren op enkele soms erg inaccurate en vooral schaarse bronnen:

“Een tor is een kever en een kever is een tor.” en “Tor is korter.”
Goeievraag.nl

“Hoewel de algemene benamingen ‘kevers’ en ‘torren’ door elkaar kunnen worden gebruikt, is dat voor individuele soorten niet het geval. Zo spreken we van meeltor en zandloopkever, en niet van meelkever en zandlooptor. Evenzo zeggen we boktor (maar in het Duits ‘Bockkäfer’) en meikever, spinnende watertor en penseelkever. De benamingen zijn vaak historisch zo gegroeid.”
Natuurinformatie.nl

“Een tor is een soort kever, maar een kever hoeft niet perse een tor te zijn.”
Forum.fok.nl

“Over de herkomst van de oorspronkelijke naam ‘kever’ bestaat onduidelijkheid.”
Wikipedia.nl

© 2011, http://www.zhanghuan.com/ - Foto van de Zhang Huan-tentoonstelling 'Q Confucius'.

De inborst van Albert Einstein, de argwaan van Virginia Woolf, de optiek van Meester Kong.

Een goede twee weken geleden raakte ik hevig verstrikt in het plakkerige web dat de taal soms kan spinnen. Vraag me niet waarom, maar een bevreemdend en tegelijkertijd onvermurwbaar gevoel welde plotseling in mij op. De verwarrende gedachte dat het woord ‘disrespect’ eigenlijk geen taaltechnisch bestaansrechts zou mogen kennen. Een kortstondige, redelijk bevrijdende en opruiende redenatieworsteling volgde, die mij achteraf ook op morele gronden bezig bleef houden. Waarvan nu akte.

Lukraak respect.

Respect. Waarom is repect iets dat je moet verdienen of inboezemen of zelfs verwerven? En ‘respectloosheid’, waarom is dát iets dat je ontvangt, krijgt of soms zo eenvoudig wordt vergeven? De gangbare, humane visie lijkt te zijn dat men, als mens, respect verdient. Van iedereen. We zijn tenslotte allemaal gelijkwaardig en hebben daarom recht op een identiek minimum aan menselijkheid. Ook wel: liefde, aandacht, zorg, respect, en meer van dat soort basale behoeftes.

Het gekke is alleen dat het tonen van respect bij de meeste mensen nauwelijks een automatisch ingebouwd proces is. Het is kennelijk te moeilijk, vraagt blijkbaar te veel energie, om zomaar iedereen met precies dezelfde mate van respect en openheid te behandelen. Als emotionele, psychologische speelbal van ons veelal lage zelfrespect, worden we geregeerd door willekeur, stemmingen, wantrouwen, egoïsme, machtswellust, jaloezie, projectie én het ingebakken effect dat je anderen eigenlijk pas kan respecteren als ze jou ook die wederdienst hebben verleend.

Het gekste nog is dat er daardoor een negatieve spiraal ontstaat. Waar iedereen primair de kat uit de boom kijkt en een bepaalde hoeveelheid wederzijds vertrouwen nodig heeft om tot het echt respecteren van een ander te komen, krijgt niemand doorgaans het automatische, vanzelfsprekende respect dat een mens als mens verdient. Ik doe een beetje moeite, jij doet een beetje moeite, en zo proberen we bij elkaar, stukje bij beetje, dat beetje respect te verdienen en bij elkaar te sprokkelen.

Etymologisch respect.

Kijken we naar de etymologie, de herkomst van het woord, dan vallen direct twee dikgedrukte dingen op:

Respect: ontleend, zowel via Frans ‘respect’ (‘ontzag, eerbied’, eerder al ‘inachtneming, aanmerking’), als rechtstreeks aan Latijn ‘respectus’ (‘het acht slaan op, overweging’, letterlijk ‘terugblik’, afleiding van ‘respicere’; ‘omkijken, kijken naar, rekening houden met’), gevormd met het voorvoegsel → re- ‘terug-’ bij specere ‘zien, kijken’…

Van een dergelijke ontstaangeschiedenis-in-een-notedop gaat mijn moraliteitsgevoel behoorlijk jeuken. “Rekening houden met” is wat mij betreft namelijk geen respectabele, menselijke karakteristiek die door iemand verworven dient te worden. De “overweging” om iemand als een waardig en waardevol mens te zien, komt mij als inherent absurd voor. Al besef ik mij terdege hoe onrealistisch absurd de realiteit – of taal – soms kan zijn.

Mijn moralistische inzicht is dan ook een stuk genuanceerder dan dat gevoel. De natuurlijke omgangsvormen van de mens zijn diep verankerd in een historie van scepsis, misgunning en dubbelzinnigheid, zo realiseer ik mij. Een realiteit waar je jezelf als uniek organisme niet zomaar van kunt ontdoen. Er zullen immers altijd Moeder Teresa’s en Gandhi’s zijn, of Hitlers en Zedong’s. Grootdenkers en kleindenkers. Respectvolle, goede mensen en disrespectvolle, slechte. Lieve schapen én gemene wolven. Dat is de aard van het beestje.

Wat Albert en Virginia dachten.

Moraliteit, en dus ook respect, is daarbij voor een groot deel aan tijdsgeest en locatie gebonden. Sinds het verschijnen van de (al dan niet wel)denkende mens op deze aarde, joelen en juichen de meeste Waarden en Normen bij elke scherpe bocht, afdaling of looping die de oneindige achtbaan van wispelturigheid en tegenstrijdigheden hen biedt. En ook Cultuur, Afkomst, Nationaliteit, Welvaart, Religie en Leefgebied vermaken zich kostelijk, lachend toekijkend vanachter het veiligheidshek.

“I speak to everyone in the same way, whether he is the garbage man or the president of the university.”

Dat is respect in de 1949-woorden van Albert Einstein. De man met het gouden en wetenschappelijke hart blijkt daarmee exáct het goede voorbeeld om maatschappelijke, tijdgebonden invloeden te illustreren. In een periode dat de vrouwenemancipatie nog in de kinderschoenen stond, meldt hij ons immers achteloos dat “everyone” kennelijk alleen een mannelijke “he”-vorm kent.

En wat te denken van de zeer scherp geformuleerde maar onmiskenbaar dubbelzinnige uitspraak van Britse schrijfster en feministe Virginia Woolf, ongeveer twee decennia eerder?

“A woman knows very well that, though a wit sends her his poems, praises her judgment, solicits her criticism, and drinks her tea, this by no means signifies that he respects her opinions, admires her understanding, or will refuse, though the rapier is denied him, to run through the body with his pen.”
– Virginia Woolf

Genderongelijkheid is bijgevolg hét erbarmelijke boegbeeld van disrespect. Zelfs los van tijdsgeest en locatie. De scheve lichamelijke, seksuele en psychologische verhoudingen tussen mannen en vrouwen leggen eenvoudig het symptomatische noodlot bloot dat in het immer onbegrepen woord respect verscholen ligt.

Het laatste woord is aan Meester Kong.

Om het even waar, om het even wanneer, op basis van welke religie,  overtuiging of (sociaal-)maatschappelijke invloed dan ook, wat respect is of zou moeten zijn, is, was en zal altijd onderhevig zijn aan een ingebouwde instinctmatige en subjectieve visie. Mensen zijn ingewikkeld op die manier. Niet hopeloos of hopeloos verloren, maar menselijk en onveranderlijk ingewikkeld.

Een mens is dan ook de verpersoonlijking van respect én disrespect. Een van nature tweespaltig creatuur, verwikkeld in een eeuwigdurende tweestrijd. Hét tegenstrijdige protoype van liefde en haat, slecht en goed, zwart en wit. En het is dit eindeloze, innerlijke gevecht dat het zo zinloos én zinvol maakt om over respect na te denken. Zonder mooi geen lelijk, zonder lelijk geen mooi. Verdienen of vergeven, het is, uiteindelijk, allemaal van hetzelfde laken een pak.

Er is daarom slechts één ordinair-ethisch uitgangspunt dat voor mij een tijdloze, blijvende waarde vertegenwoordigt. Eén 2500-jaar oude stelregel die als onzijdige, neutrale scheidsrechter uitzicht heeft op beide strijdvelden, toegeschreven aan de vermaarde Chinese leraar en filosoof Meester Kong (ook wel beter bekend als Conficius):

“Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.”

niet-tjilpen

Schrijvers zouden niet moeten twitteren.

Ik doe er niet aan: tjilpen. In de volksmond ook wel tweeten of twitteren genoemd; het plaatsen van berichten op Twitter (‘twitter’ betekent in het Engels ondermeer: ‘the light chirping sound made by certain birds’). Het kost (teveel) tijd, het leidt (teveel) af en het levert (te) weinig op. Ondanks het feit dat ik me er enkele maanden met oprechte aandacht en ware devotie op toegelegd heb, me verbaasde over het aantal volgers dat stelselmatig toe bleef nemen en er steeds meer interactie en onderline communicatie met andere Twitteraars ontstond, heb ik aan al mijn twitterbloed, -zweet en -tranen eigenlijk niet één belangwekkend contact overgehouden.

Volg je de “juiste” mensen en kanalen, dan kan Twitter een uitermate interessante manier zijn om op de hoogte te blijven van alles dat je ook maar kan interessen. Voor de rest werd ik mij steeds meer gewaar van een lege, bijna zielloze invuloefening en kon ik me, na bijna een half jaar aan tweets, volledig in de woorden van Dustin Curtis vinden:

“Twitter takes complex ideas and destroys them by forcing my brain to compact them into little 140-character aphorisms, truisms, or jokes. For every great tweet, there could have been four insightful paragraphs, but there aren’t, and never will be, because Twitter removes my desire to write by killing my ideas.”

Lees het hele blogartikel van Dustin Curtis:
http://dcurt.is/what-i-would-have-written

verstrikt-in-taal

Het kromme dis- van respect. En het on- van niet zo recht.

Soms raak ik de taal bijster. Dan denk ik na over de betekenis van een woord. Bekijk ik het van alle kanten. Raak ik plotseling verstrikt in letters. Verzuip ik zomaar in een antoniem. ‘Respect’, dat is waar ik het over heb. En ‘disrespect’ het verstikkende tegenovergestelde.

‘Dis-‘. Ergens klinkt het niet. Een voorvoegsel dat de weg kwijt is. ‘Continuïteit’ en ‘discontinuïteit’? Ja, nou, oké. Iets is immers continu of nietcontinu. Mmh… ‘harmonie’ en ‘disharmonie’? Vooruit. Prima. Iets is tenslotte harmonisch of nietharmonisch. Maar, eh, ‘discipline’ en ‘cipline’? Of ‘distributie’ en ‘tributie’? Een ‘discussie’ en dus ook een ‘cussie’?! Respect en nietrespect?!? Help, meneer van Dale, ik krijg het zo langzamerhand spaans benauwd.

Respect toon je. Net als respectloosheid. Maar, respectloos niet. Je bent respectvol, of vol respect, je bent echter nooit gewoon respect. Je uit jezelf respectloos of mét respect, nochtans niet respectleeg! En respectheid? Mijn excuses respectloosheid, dat bestaat gewoonweg niet. Ten opzichte van ‘respectvol’ is ‘disrespectvol’ wél weer uitermate antonimisch correct. Respectvol en nietrespectvol. Ja, dát klopt. En toch, er blijft iets wringen. Iets, iets… onzeggenlijks. Iets onverwoordbaars…

Maar… wacht eens even… ‘On-’…? Ben ik hier iets op het spoor? Kom op verstand, kom op grijze cellen! Leg die verbanden! Krakend en steunend, hortend en stotend komt er iets op gang… Je hebt… balans en… onbalans. Kunde en… onkunde. Respectvol en onrespectvol! Respect, en geheel averechts, het ONrespect! Hoe bestaat het dat dit woord in de Nederlandsche taal niet bestaat? Dat is toch disuitstaanbaar! Disdoenlijk! Dismogelijk! Heel taalminnend Nederland de straten op! Dit disrecht moet we bevechten!

Behept met slechte humor, greep hij naar de worteltjestaart.

“Goedemiddag.”
“Goedemiddag…”
“Ik ben op zoek naar een boek, maar het lijkt erop dat u het niet heeft liggen.”
“Ah, oké, en u bent op zoek naar…? Dan zoek ik het gewoon even op in de computer.”
“Het gaat om de nieuwe Gideon Grim.”
“Grim zegt u? Met één of twee m-en?”
“Eén m.”
“Hm, eens even kijken… Grim, G.C.?”
“Ja, dat is ‘m volgens mij.”
“Nee, inderdaad, die hebben we niet in ons assortiment. Net een week uit. Als u dat wilt, dan ik een exemplaar voor u bestellen…?”
“Oh nee, nee, dat is niet nodig. Ik kom later deze week nog wel eens terug dan.”
“Ja? Het is een kleine moeite hoor…”
“Nee, nee, erg vriendelijk, maar bedankt. Tot ziens.”
“Dag meneer en nog een fijne dag.”
“Eensgelijks.”

Twee dagen later. Dezelfde boekenwinkel.

“Goedemorgen.”
“Goedemorgen meneer, u ziet er uit alsof u een vraag heeft.”
“Dat klopt. Misschien dat u mij kunt helpen. Ik ben op zoek naar de nieuwe Gideon Grim…”
“Gideon Grim? Dat zegt me helemaal niets… Ik zal het even in de computer opzoeken.”
“Fijn.”
“Grim… Grim… Is het een Nederlandse schrijver?”
“Ja. Nederlandstalig.”
“Ik, eh, vind alleen sprookjesboeken… Oh, wacht. G.C. Grim? Is dat de schrijver die u bedoeld?”
“Ja, dat is ‘m volgens mij.”
“Het ziet er naar uit dat het boek deze week geleverd wordt. We hebben net deze week enkele exemplaren besteld. Waarschijnlijk zaterdagochtend in dit geval. Hij staat bij ons in het systeem als ‘Uitgesteld’, dus met zekerheid durf ik het niet te zeggen.”
“Ai, da’s jammer. Een reden staat er niet bij…?”
“Nee meneer, helaas niet. ‘Uitgesteld’ betekent meestal dat het boek zeker geleverd gaat worden, maar dat het net een paar dagen of soms weken langer kan duren. Ik zou eventueel een exemplaar voor u kunnen reserveren. Dan wordt u gebeld zodra het boek bij ons binnen is.”

Oh nee, nee hoor, dat is echt niet nodig. Ik kom later deze week of die week daarna nog wel eens terug. Ik heb geen haast.”
“Prima meneer. Had u nog andere vragen?”
“Nee, nee, erg vriendelijk, bedankt. Tot ziens.”
“Dag meneer. En een prettig weekend alvast.”
“Eensgelijks.”

Vijf dagen later. Dezelfde boekenwinkel.

“Een goedemiddag.”
“Hallo, hoe kan ik u helpen vandaag?”
“Ik ben vorige week ook al twee keer langs geweest, op zoek naar het nieuwe boek van Gideon Grim. Maar beide keren bleek het boek niet aanwezig of nog niet geleverd. Ik was in de hoop dat er inmiddels vorderingen op dat gebied zijn.”
“U treft het meneer. Die is toevallig net vanochtend binnengekomen. En volgens mij is er een exemplaar voor u opzij gelegd… Eh… Ja, kijkt u eens. De nieuwe Gideon Grim “voor de meneer met de vriendelijke lach en de bijzondere baard”, zoals mijn collega het heeft omschreven.”
“Oh…ja, ja… Alleraardigst, maar, eh, erg onnodig. Het zou zonde zijn om het boek daadwerkelijk aan te schaffen, moet u begrijpen. Een “flutdebut” zou ik zelfs willen zeggen. Het lijkt me niet dat u daar ook maar één exemplaar van gaat verkopen. Ik wens u een fijne dag!”
“Men… eh, meneer?”

Vrij naar de worteltjestaartmop.